Copyright © Alfred Scheepers
Geen vermenigvuldiging toegestaan zonder toestemming van Olive Press
No unauthorized multiplication allowed

Lezing gegeven in het voorjaar van 1995 in Hotel de Filosoof te Amsterdam

Drift, Burgerdom en Boeddhisme

Ongeveer 2400, 2500 jaar geleden was er in De Ganges-vlakte van Noord-India een grote politieke en culturele bedrijvigheid. Er waren een groot aantal elkaar bestrijdende stadstaatjes, sommige monarchaal, andere republikeins. En in die staatjes bloeide een nieuwe handelsaristocratie die rijkdommen vergaarde welke die van de traditionele vorsten naar de kroon staken. Deze nieuwe aristocratie vormde een klasse op zich die haar eigen culturen en religies om zich heen drapeerde.

Noord India was de voorafgaande eeuwen het strijdtoneel geweest van botsende culturen. Oorspronkelijk was Noord India bevolkt geweest door Dravidische en Austrische stammen. Het waren merendeels eenvoudige boeren-gemeenschappen waarin voorouderverering, sjamanisme en vruchtbaarheidsreligies werden aangehangen. Op sommige plaatsen zoals in de Indus-vallei hadden verschillende culturen zich gemengd en hadden zich grotere rijken gevormd met een centraal bestuur. We weten daar niet al te veel van, niet meer dan dat die culturen rond 1500 v Chr. ten onder gingen door niet geheel duidelijke oorzaken. We weten ook dat ongeveer vanaf die tijd indogermaanse stammen India binnenvielen, mettertijd de bevolking onderwierpen en een feodaal systeem invoerden. Ze vestigden een klasse-maatschappij die zijn weerga in de wereld niet kent. De religie en filosofie van die maatschappij kan men als volgt formuleren: Je hebt mensen van verschillende soorten, en omdat er verschillende soorten zijn hebben die verschillende mensen ook verschillende rechten en plichten. Sommigen zijn van nature bestemd voor geestelijke contemplatie, anderen om te heersen en weer anderen om de rommel voor de twee eerder genoemden op te ruimen omdat die er niet op gebouwd zijn om dat zelf te doen. Zolang de heerser politiek bedrijft, vrouwen overweldigt en af en toe flink wat moordt, dan volgt hij zijn ware natuur en dat is uitstekend. De priester zou tegen zijn natuur ingaan als hij zo deed, maar hij volgt wel zijn natuur als hij er een vroom gezicht bij trekt en er zijn zegen over uitspreekt om een eventuele ontstemdheid van de goden af te wenden. Zijn eigenlijke natuur is te mediteren en te studeren, en ook dat is goed. Voor de mehtar (veger) zou het zeer slecht zijn als hij niet de hele dag in het stof zou rondkruipen, want anders zou hij zijn natuur geweld aandoen. En het geweld doen aan de eigen natuur doet tevens geweld aan het universum. Want het hele universum is ŽŽn groot organisme. Daarin heb je hersens, hart en darmen. Als ŽŽn van die organen niet op de juiste manier functioneert worden ook de andere geschaad. Als de mehtar niet veegt krijgt de priester astma, de koning een hartaanval van woede en hijzelf wordt manisch depressief. Daarom, als ieder zijn eigen plicht doet dan houden wij de kosmische wet, de dharma in stand en is de hele wereld gelukkig.

Het is uiteraard de heerser die deze religie aanhangt, en hij wordt daarin gesteund door zijn secondant, de priester, want deze gedachte is niet anders dan de rechtvaardiging van de macht van de heersende klasse. Wie voornaam is kan gewoon nemen wat hij wil hebben en mag daar ongegeneerd van genieten, want hij volgt slechts zijn aard.

De veger zelf deelt dit wereldbeeld niet geheel en al. Hij gelooft in een genadige God die hem zal redden uit zijn ellende als hij maar goed zijn best doet. Zijn rondkruipen in het stof is voor hem niet de vervulling van zijn natuur maar zijn boete voor begane zonden in een vroeger leven. En die boete zal weer leiden tot een volgend beter leven. Verschillende perspectieven, maar de gedragingen die voortvloeien uit verschillende overtuigingen voegen zich samen tot een uiterlijke harmonie van innerlijk incommensurabele werelden.

En midden tussen die elkaar wezensvreemde werelden staat de koopman die met sluwheid en overleg probeert zijn onafhankelijkheid te verwerven om aan de greep van de feodale heersers te ontsnappen. Hij werpt daarbij een religieus wapen in de strijd, nl. wat ik de bevrijdingsreligie zal noemen. Hij ziet dat de motor achter het feodalisme de ongeremde driftbevrediging is. De strijd tegen het feodalisme wordt dus een strijd tegen de drift. M.a.w., tegen de religie van de harmonie van de ongelijkheid stelt de koopman de religie van de moraal, of zoals dat in het Nederlands zo mooi heet, de ingetogenheid. De heerser vergaart zijn welvaart door het volgen van zijn primaire impulsen, roof en verkrachting, maar de koopman vergaart zijn rijkdom door overleg, winstberekening en door er voor te zorgen dat hij voortdurend minder uitgeeft dan hij b innen krijgt. Hij moet zich dus om rijk en machtig te worden matigen in zijn primaire impulsen en driften. En daarom ontwikkelt hij een neiging tot ascese. De weg naar bevrijding van de feodale orde gaat dus via de ascese en daarin gaat men noodzakelijkerwijs de strijd aan met het eigen driftleven. In die strijd leert men pas kennen wat er in de ziel huist. Naarmate men zijn impulsen beter kent houdt men ze beter onder controle en de volmaakte kennis van hun werking betekent macht over hen en daarmee tevens bevrijding van de drijfveer van het feodalisme. Dit hele proces en deze hele kunst van het afknijpen van je primaire driftleven wordt ook wel meditatie genoemd en het resultaat van die meditatie is een diepe rust, een uitdoving, een innerlijke zelfcastratie, die men ook wel met ‘mystieke verzinking’ aanduidt. De burgerlijke moraal spreekt: de revolutie is puriteins. We hebben het nu over India maar u heeft dit waarschijnlijk in een andere context al wel eens meer gehoord. De koopmansreligies zijn bij uitstek de mystieke religies. EŽn van de meest karakteristieke koopmansreligies in het India van zo’n 2500 jaar geleden was het Jainisme. De Jains duidden het driftmatige handelen aan met de term karma. Door dit karma stroomt een karma-stof de zintuigen binnen en dit leidt in de ziel tot een karma-bezinksel. Door nu de aandacht te fixeren en op dit bezinksel te concentreren als een soort brandglas verteert men het en daarmee wordt men vrij van de innerlijke viezigheid die tot het driftmatige handelen aanzet. Men bereikt de stilte en zuiverheid van de eigen innerlijke natuur, de zuivere geest. Meditatie en mystiek werden hier dus gezien als een soort innerlijke alchemie.

Tot de groep van Indiase koopmansreligies behoort ook het boeddhisme. Dit wordt duidelijk aan de hand van een kleine anekdote:

Een boeddhistische monnik verkeerde al geruime tijd op een zekere plaats in meditatie, zo dat van zijn aanwezigheid de mare zich in de omgeving verbreidde. De plaatselijke koning leek het fenomeen wel amusant en hij zond een bode om de monnik in zijn paleis te ontbieden voor een onderhoud en het opvoeren van enige mystieke kunstjes. Maar de monnik antwoordde alleen door te zeggen: ‘het is niet goed dat de ene mens over de andere heerst.’ Revolutionaire taal dus. De koning was pissig en zon op wraak. Tegen iemand die zich op een dergelijke manier aan de macht van het feodalisme wil onttrekken moeten de zwaarste middelen worden ingezet. Dus laat de koning een rijkelijk bedeelde dame bij zich komen uit een zekere beroepsgroep die onmisbaar is voor een goed functioneren van het kosmische organisme. En zij krijgt de opdracht de monnik van dienst te zijn. De koning hoort na een poosje dat de dame zwanger is en de monnik zich bezuipt aan de palmwijn en is zeer in zijn nopjes. Het feodalisme heeft gezegevierd.

Maar als het boeddhisme alleen een ingetogen castratieve koopmansreligie geweest was waarin de verlichting wordt gezocht die leidt tot de uitdoving van het driftleven in het Nirvana, dan had het waarschijnlijk nooit zo’n grote verbreiding gevonden. Het was dan nooit boven het Jainisme uitgestegen. Toch is dat meditatieve streven de meest bekende kant van het boeddhisme. Want het boeddhisme is synoniem met de vier edele waarheden:

1) de waarheid van het lijden,
nl. dat lijden impliciet is aan het leven
2) de waarheid van de oorzaak van het lijden,
nl. de dorst, de drift, de feodale libido is er de oorzaak van dat het lijden impliciet is in het leven
3) de waarheid van de opheffing van het lijden,
nl. dat er een bevrijding bestaat van het door deze feodale drift veroorzaakte lijden.
4) de waarheid van het pad
dat leidt tot de opheffing van het door de feodale drift veroorzaakte lijden.

Dat pad staat bekend als het edele achtvoudige pad. Het bestaat uit de boeddhistische moraal: juist geloof, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, en de boeddhistische meditatie: juiste inspanning, juiste aandacht en juiste concentratie. En wat is hier dan wel de juiste moraal: geen leven nemen, niet stelen, geen ontucht, niet liegen, geen alcohol. En dat ook de juiste meditatie niets anders is dan het lamleggen van al het driftmatige valt eveneens niet te betwijfelen.

Tot zover heb ik een nogal ridiculiserende benadering gegeven van het boeddhisme. En daarin heb ik wel de waarheid gezegd maar toch geen recht gedaan aan de diepe ernst die het boeddhisme bezielt. Kijk om je heen waartoe de feodale religie leidt. In ŽŽn van de klassieke boeddhistische teksten wordt een opsomming gegeven van al de vormen van het lijden dat er door wordt veroorzaakt. De tekst culmineert in een opsomming van de soorten van martelingen die in de feodale kerkers en executieplaatsen werden voltrokken. Kijk wat mensen doen die op grond van hun macht niet langer genoopt worden hun driften te beheersen, en men kan tenminste begrip opbrengen voor mensen die als St. Joris hun draak als de belichaming van alle kwaad bestrijden. En men moet ook zien dat dit een strijd is die werkelijke moed vereist. Maar het belangrijkste van alles is: in die strijd tegen de draak, de eigen drift leert men pas zijn diepste motivaties kennen. Zonder de drift te bestrijden zou men haar nooit kunnen leren kennen. Zonder de meesters van het castratiemes zou de moderne psychologie ondenkbaar zijn geweest. Net zoals met het lichaam kun je de ziel alleen ontleden door haar te doden. En die dood is tevens de bevrijding van haar lijden, de eeuwige vrede die volgt op haar voortdurende rusteloosheid. ‘Viva la Muerta,’ riepen de syndicalisten die zich in de strijd wierpen tegen Franco.

Vanuit de versterving van de meditatieve verzinking ontdekt men de wetmatigheden van de levensdrift. En die wetmatigheid van de levensdrift heeft de Boeddha geformuleerd als de Wet van het geconditioneerd ontstaan. De formulering van deze wet is in mijn ogen het meest kenmerkende van het boeddhisme. Zonder deze wet was het boeddhisme nooit meer geworden dan een moraal-filosofie. Met deze wet wordt het een universele interpretatie van de werkingen van de geest en van het leven. En het wordt uiteindelijk tot een theorie van al het bestaan Ÿberhaupt.

De wet van het geconditioneerd ontstaan is zo uniek omdat ze een resolute afwijzing behelst van alle religieuze metafysica. Metafysische vragen verstrikken de geest en ze dragen niet bij tot een beter leven, laat staan tot de verlossing van het driftleven. Zo wijst de Boeddha de vraag naar de onsterfelijkheid van de ziel af, de vraag naar de eindigheid of oneindigheid van de wereld en de vraag naar haar geschapenheid of ongeschapenheid door ee n hoger wezen. In plaats van zich te concentreren op dergelijke speculatieve vragen wil de Boeddha zich uitsluitend richten op wat ervaringsmatig, als ervaring gegeven is. Hij concludeert dat alle zijn ondergebracht kan worden onder slechts vijf categorie‘n, nl. die van de zintuiglijke sensaties (rupa), gevoelens (vedana), denkacten of begrippen (samj–a), wilsacten en neigingen (samskara) en bewustzijn of geestelijk gewaarworden (vij–ana). Was de Boeddha hierbij gebleven dan hadden we hem zonder meer onder de positivisten kunnen scharen. Maar het kenmerkende van de Boeddha’s leer is dat deze vijf soorten elementaire fenomenen niet op zichzelf staan. Verschijnselen uit ŽŽn van deze categorie‘n bestaan slechts in afhankelijkheid van verschijnselen uit de vier andere groepen. Gevoelens kunnen niet bestaan zonder zintuiglijke gewaarwordingen, zintuiglijke gewaarwordingen niet zonder wils- en driftfenomenen, wils- en driftfenomenen niet zonder voorstellings- en denkacten en deze weer niet zonder gevoelens. En geen van de vier genoemde soorten fenomenen kan zich manifesteren tenzij in en aan een bewustzijn dat ze registreert. Dus de Boeddha stelt niet alleen dat slechts de elementaire ervaringsfenomenen bestaan, hij wijst ook op de onderlinge relativiteit van deze fenomenen. Hoewel de fenomenen het enige zijn waaraan realiteit kan worden toegekend, hebben ze lfs deze fenomenen alleen een relatief bestaan, een bestaan alleen in afhankelijkheid van andere fenomenen. De Boeddha combineert daarmee twee inzichten die onafhankelijk van elkaar de ontwikkeling van het Europese denken in de 20 eeuw hebben gekleurd. Maar in het boeddhisme zijn deze twee inzichten al vanaf het begin in een organische synthese verenigd. De klassieke idee van de relativiteit van de verschijnselen of van het afhankelijk ontstaan (zoals het meestal wordt genoemd) werd als volgt geformuleerd:

”De neigingen ontstaan in afhankelijkheid van onwetendheid, bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van de neigingen, naam en vorm ontstaan in afhankelijkheid van bewustzijn, de zes zintuiglijke velden ontstaan in afhankelijkheid van naam en vorm, contact ontstaat in afhankelijkheid van de zes zintuiglijke velden, gevoelens ontstaan in afhankelijkheid van contact, dorst ontstaat in afhankelijkheid van gevoelens, het levensconcept ontstaat in afhankelijkheid van de dorst, de formatie van de persoonlijkheid, het worden ontstaat in afhankelijkheid van het levensconcept. Geboorte ontstaat in afhankelijkheid van het worden (de persoonlijkheidsformatie) en ouderdom en dood ontstaan in afhankelijkheid van geboorte.”

Daarmee is de cirkel van de verschijnselen die het bestaan uitmaken rond. Om dat duidelijk te maken zal ik wat ik hier boven heb gezegd nog eens rustig ŽŽn voor ŽŽn uitleggen.

De leer van het afhankelijk ontstaan ontstond stukje bij beetje. Ten eerste stelde men zich de vraag wat de condities zijn waaronder de dorst, de levensdrang (en dat is dan ook de feodale machtshonger) kan ontstaan en bestaan. Daarvoor, dacht men, waren twee dingen nodig. Dorst kan er alleen zijn wanneer ze een object heeft om zich op te richten. Dit object kan men zich allereerst voorstellen als een bepaalde idee of gedachte, b.v. als ik honger heb kan deze zich richten op de idee van een brood. Maar deze idee kan alleen de dorst stimuleren als er ook een werkelijke genieting van het brood op kan volgen, als ik de smaak ervan kan proeven en de voedingstoffen tot me kan nemen. Want zonder die mogelijkheid zou mijn honger iedere zin verliezen en zich net zo goed op schilderijen kunnen richten. Het is juist dit contact (sparsha) tussen het object en de zintuigen dat de bevrediging van de honger of de dorst brengt en dit is een contact dat gepaard gaat met zintuiglijke indrukken. Op die indrukken volgt een gevoel (vedana) van bevrediging. En dat gevoel van bevrediging zoekt men te herstellen wanneer het voorbijgaat. En juist dat verlangen tot herstel van een gevoelstoestand is de dorst. Die dorst richt zich weer op een object dat is geconcipieerd zoals b.v. weer een soortgelijk bro od als ik zo‘ven heb genoemd. Maar menselijke verlangens richten zich niet zomaar willekeurig op iets. Ze hebben geleerd zich op iets te richten. Het vroege boeddhisme onderscheidde ruwweg twee soorten verlangens, een verlangen gericht op erotische lusten en een verlangen gericht op zelfrealisatie. Beide openbaren zich niet zomaar willekeurig op een bepaald moment, er ligt aan beide een soort globale idee ten grondslag. Ieder mens heeft zijn eigen karakter, en hoewel ieder mens onderworpen is aan dezelfde basisimpulsen, zoekt ieder mens toch ook weer die impulsen op een geheel eigen en karakteristieke manier te bevredigen. M.a.w., er zit in ieder mens een gewoontematige tendens, een patroon, in zijn verlangens die zijn hele leven beheerst en er daarmee een bepaalde richting aan geeft. Verlangen is niet alleen gericht op de bevrediging van een bepaalde beperkte behoefte, maar iemands hele leven is in meer of mindere mate gericht op de bevrediging van een bepaald ideaal. het verstand vat niet alleen een brood op om daarop zijn verlangens te richten, maar het vat een totaal en ideaal behoeftenbeveredigings-patroon op. Het vat een ideaal ervaringsgeheel op, dat is opgebouwd uit de vijf eerder genoemde bouwstenen van de ervaring. Dat ideaal blijft men in de regel zijn hele leven nastreven en het wordt niet op een concreet moment bevredigd zoals de idee van ee n brood bevredigd wordt op het moment van het eten van een brood. Dit ideaal of deze levensconceptie is iets waaraan men zich vastklampt (upadana) en het is juist dit zich vastklampen aan een globaal levensideaal dat iemand in zijn levensontwikkeling (bhava) drijft. In dit streven worden bepaalde disposities en inclinaties ontwikkeld. Maar het streven zelf wordt nooit verwerkelijkt, want in de jeugd ligt het ideaal in de verte als iets om naar te streven, maar op het moment dat men begint het ideaal te realiseren heeft men zijn jeugd opgebruikt en kan men het niet meer genieten op de manier die men zich gewenst had. Aftakeling en ouderdom hebben de vitaliteit opgebruikt die nodig is om het ideaal te genieten. En de levensimpuls wordt met de disposities en inclinaties die in het streven naar het ideaal zijn ontwikkeld overgegeven in de handen van de dood. En die levensimpuls of levensdrang met zijn daarin liggende disposities die overblijft als het lichaam is opgebrand en gestorven, die drang met zijn inherente disposities zoekt na de dood een nieuwe belichaming in een andere moederschoot. Wat hier dus van het ene lichaam naar het andere verhuist is niet een ziel maar een impuls zoals een impuls die van de ene biljartbal wordt overgebracht naar de andere. Daarmee treedt de gedachte van wedergeboorte het boeddhisme binnen zoals die alom bekend is geworde n. De disposities in de drang die overschiet bij het sterven zoeken een moederschoot die erbij past, zodat men geboren wordt in een omgeving die gunstig is voor de ontwikkeling van de meegebrachte disposities. Zo zal iemand met een misdadige inslag worden wedergeboren in een crimineel milieu en iemand met een itellectuele neiging kan b.v. worden wedergeboren in een brahmaanse familie. In dit nieuwe leven krijgt men opnieuw de kans om de levensidealen bij te sturen. En of men dit doet in goede of kwade zin, bepaalt hoe men zijn disposities verder ontwikkelt en dit bepaalt weer de kwaliteit van een volgende geboorte. Maar in wat voor leven men ook terecht komt, het levensideaal is niet te verwerkelijken. En dit is de frustratie die inherent is aan het stellen van ieder levensdoel, en die frustratie is naast de stress een tweede aspect van het lijden aan het bestaan, het lijden aan de levensdrang. Want voor er iets kan worden gerealiseerd komen opnieuw ouderdom en dood die de realisering van het ideaal opnieuw uitstellen tot het volgende bestaan.

Tot nu toe heb ik geredeneerd, met de vroege boeddhisten vanaf de zintuiglijke ervaring via de dorst die eruit ontstaat tot aan de dood, een nieuwe geboorte en opnieuw de dood. Maar men redeneerde nog verder, nu niet vanaf de zintuiglijke ervaring verder via dorst tot de dood en een nieuwe geboorte, m aar terug, zoekend naar de voorwaarden van de zintuiglijke ervaring. De dorst vond zijn oorzaak in het contact (sparsha) tussen de zintuigen (sadayatana) en hun objecten, maar de zintuigen zelf tezamen vormen een lichaam (rupa), dat zelf alleen de zintuiglijke vormen kan ervaren wanneer het verbonden is met psychische vermogens (nama), nl. gevoel, denken en neigingen. En die eenheid van lichamelijke gestalte, gevoel, denken en neigingen kunnen alleen aanwezig zijn, beleefd worden wanneer ze bezield zijn door een geest of bewustzijn. Want dit is zelf het waarnemen in het waargenomene. Men meent dat het dit bewustzijn of waarnemingsbeginsel is dat zich bij de conceptie verenigt met de overige vier groepen.

Contact tussen de zintuigen en de objecten kan er dus alleen zijn als er eerder een contact is tussen psychische vermogens en lichaam enerzijds en de geest anderzijds. En dat contact komt tot stand onder invloed van de disposities die men onder invloed van de dorst, de levensdrang en het erotisch verlangen heeft ontwikkeld in een vorig bestaan, nl. wanneer die geest met zijn disposities zich nestelt in een baarmoeder. De geest nestelt zich in een baarmoeder onder invloed van disposities en inclinaties (samskara) ontwikkeld in een vroeger leven, en die disposities en inclinaties zou hij niet hebben gehad als hij niet zou zijn aangedaan door de l usten en de levensdrang en die lusten en levensdrang zou hij niet hebben gehad als hij niet had ingezien dat hij door aan deze toe te geven niets kan winnen dan frustratie en stress en een eeuwige herhaling van geboorte en dood, ja daardoor alleen maar zijn aangeboren vrijheid kan verliezen. Lusten en levensdrang zouden er met andere woorden niet geweest zijn zonder een gebrek aan inzicht, zonder een beneveling door onwetendheid. Zo terug redenerend sloot men de cirkel van een soort leven dat de mens in boeddhistische ogen gevangen houdt in een voortdurende stress en streving en probeerde men aan te tonen dat daaruit door doelgericht handelen geen ontsnapping mogelijk was.

Op deze idee van het geconditioneerd ontstaan zou Nietzsche later zijn Ewige Wiederkehr modelleren. Maar Nietzsche wijst het boeddhistische escapisme af. De gedachte dat alle elementen van de ervaring op hun tijd weer hun eigen terugkeer oproepen weigert hij als een gevangenschap op te vatten. Het is juist iets dat uit het diepst van het hart geaffirmeerd moet worden. Door de gebondenheid aan de drift te bevestigen, te bejahen in plaats van haar te verneinen manifesteert deze gebondenheid zich niet langer als lijden maar als lust. Daarmee handhaaft Nietzsche de psychische constructie van de wereld zoals het vroege boeddhisme die heeft uiteengezet, maar hi j wijst de intentie die erachter zit af. Hij kiest daarmee voor een andere politieke stellingname, een andere klasseloyaliteit. Hij wijst de positie af van de burgerman voor wie de wereld te beklemmend, te bedreigend en te benauwend geworden is en die daarop als enige antwoord ziet zich uit deze hele benauwende wereld terug te trekken en zegt:

Friedrich Nietzsche, ets Hans Olde

”Met het verdwijnen van onwetendheid houdt de wilsactiviteit op, met het ophouden van de wilsactiviteit houdt het waarnemende bewustzijn op; met het ophouden van het bewustzijn houden geest en lichaam op, met het ophouden van geest en lichaam houden de zes zintuigen op, met het ophouden van de zes zintuigen houden de zintuiglijke prikkels (contact) op, met het ophouden van de prikkels houden de gevoelens op, met het ophouden van de gevoelens houdt de zucht op, met het ophouden van de zucht houden de idee‘n op, met het ophouden van de idee‘n houdt de ontwikkeling op, met het ophouden van de ontwikkeling houdt het geboren worden op, met het ophouden van het geboren worden houden ouderdom, dood, verdriet, geklaag, ellende, spijt en wanhoop op. Zo houdt dit hele complex van ellende op te bestaan.”

De Boeddha schrok van zijn ontdekking en we rd een heilige, Nietzsche affirmeerde haar en werd een decadent. Is er dan echt geen manier om met het bestaan klaar te komen?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.